⭐ 4,8/5 op basis van 1.200+ reviews

Hoe stel je de annotatieschaal in AutoCAD in?

DKDaan Kessels· CAD- & BIM-specialistLaatst bijgewerkt: 12 juli 2026· 8 min leestijd
Kort antwoord

Je stelt de AutoCAD annotatieschaal in door objecten annotatief te maken (via hun stijl of het palet Eigenschappen) en de schaal te kiezen op de statusbalk of met CANNOSCALE. AutoCAD toont tekst en maatvoering dan automatisch op de juiste papiergrootte, ongeacht de tekenschaal, en één object kan meerdere schalen bewaren.

AutoCAD annotatieschaal: uitleg en handleiding van Liceon

De annotatieschaal bepaalt hoe groot teksten en symbolen op papier verschijnen, ongeacht de tekenschaal.

Een annotatief object is een object dat je instelt op de gewenste papiergrootte, waarna AutoCAD het automatisch op de juiste modelgrootte weergeeft voor elke annotatieschaal. Je tekent een gebouw op ware grootte, maar tekst moet op papier bijvoorbeeld 2,5 mm hoog zijn, of je die tekening nu op 1:50 of 1:100 plot.

Vroeger rekende je de teksthoogte handmatig uit: 2,5 mm op schaal 1:100 betekent 250 mm in het model. Voor elke schaal een andere hoogte, en bij een schaalwijziging moest alles opnieuw. Met annotatieve objecten stel je de papiergrootte één keer in en laat je AutoCAD de rest doen. Dat werkt voor tekst, maatvoering, verwijzingslijnen (multileaders), arceringen en blokken.

De rekenregel achter de schermen is eenvoudig: modelgrootte = papiergrootte x schaalfactor. Bij 1:50 wordt 2,5 mm dus 125 mm, bij 1:100 wordt het 250 mm. Het voordeel van annotatief werken is dat je die som nooit meer zelf maakt en dat één object beide waarden tegelijk kan tonen, elk in het bijbehorende viewport. Objecten die niet annotatief zijn, houden hun vaste modelgrootte en verschijnen op elke schaal even groot in verhouding tot de tekening; dat is precies wat je bij annotaties wilt vermijden.

Je maakt een object annotatief door de stijl of het object zelf op annotatief te zetten.

Annotatief gedrag begint bij de stijl. Zo zet je de meest gebruikte objecten annotatief:

  • Tekst: open de Tekststijl (STYLE), vink Annotatief aan en vul bij Papiertekst-hoogte de gewenste hoogte op papier in, bijvoorbeeld 2,5 mm.
  • Maatvoering: open de Maatstijl (DIMSTYLE), tabblad Aanpassen, en zet Annotatief aan onder Schaal voor maatfuncties.
  • Multileaders: in de Multileaderstijl (MLEADERSTYLE) zet je Annotatief aan op het tabblad Leaderstructuur.
  • Arceringen: in het dialoogvenster Arcering vink je Annotatief aan zodat het patroon op papierschaal blijft.
  • Blokken: in de Blokdefinitie (BLOCK) vink je Annotatief aan bij het maken van het blok.

Bestaand object annotatief maken kan ook: selecteer het, open het palet Eigenschappen (Ctrl+1) en zet Annotatief op Ja. Aan het icoon herken je een annotatief object: naast de cursor verschijnt een klein driehoekig meetlint-symbool wanneer je erover zweeft.

Beeldscherm met bouwkundige tekening waarop tekststijl en maatvoering worden ingesteld
Annotatief gedrag stel je in bij de tekst-, maat- en multileaderstijl.

Meng annotatieve en niet-annotatieve objecten met beleid. Een titelblok en kaderlijnen horen meestal niet annotatief te zijn, want die staan op ware papiergrootte in de lay-out. Tekst, maten en symbolen in het model horen dat juist wel te zijn. Houd die scheiding aan, dan blijft je tekening voorspelbaar bij elke schaalwissel.

De huidige annotatieschaal stel je in op de statusbalk of met CANNOSCALE.

Rechtsonder in de statusbalk staat de Annotatieschaal. Klik erop en kies de schaal waarop je werkt, bijvoorbeeld 1:100. Deze waarde is de systeemvariabele CANNOSCALE; je kunt hem ook via de opdrachtregel zetten.

Commando: CANNOSCALE
Nieuwe waarde voor CANNOSCALE: 1:100
Tekenaar stelt de schaal in van een technische tekening op een computerscherm
De annotatieschaal kies je rechtsonder op de statusbalk voordat je annotaties plaatst.

Staat de schaal die je nodig hebt (zoals 1:50) niet in de lijst, voeg hem dan toe met SCALELISTEDIT. Klik op Toevoegen, geef een naam op en de verhouding tussen papier- en tekeneenheden. Overbodige schalen verwijder je in hetzelfde venster, wat de lijst overzichtelijk houdt.

Zet de annotatieschaal altijd goed voordat je annotaties plaatst. Een tekst die je op schaal 1:100 tikt, krijgt automatisch de bijbehorende modelgrootte; wissel je later naar 1:50, dan blijft de tekst op papier even groot.

De schaallijst werkt met metrische of imperiale eenheden, afhankelijk van je sjabloon. Voor Nederlands bouwwerk gebruik je metrische schalen als 1:5, 1:10, 1:20, 1:50 en 1:100. Ontbreken die, dan zit je waarschijnlijk in een imperiaal sjabloon; start dan een nieuwe tekening vanuit een metrisch sjabloon (bijvoorbeeld acadiso.dwt) of voeg de schalen handmatig toe. Zo voorkom je dat teksthoogtes er vreemd uitzien omdat de eenheden niet matchen.

Eén annotatief object kan meerdere schalen tonen via schaalrepresentaties.

De kracht van annotatieve objecten is dat één object meerdere schaalrepresentaties bewaart. Zo toon je dezelfde tekst correct in een detail op 1:20 en in een overzicht op 1:100, zonder te dupliceren.

Er zijn twee manieren om een extra schaal aan een object toe te voegen:

  1. Automatisch: zet de knop Automatisch schalen toevoegen aan (systeemvariabele ANNOAUTOSCALE, het bliksem-icoon naast de annotatieschaal op de statusbalk). Elke keer dat je de annotatieschaal wijzigt, krijgen bestaande annotatieve objecten die nieuwe schaal erbij.
  2. Handmatig: selecteer de objecten en gebruik OBJECTSCALE. In het venster Annotatieve objectschaal voeg je schalen toe of verwijder je ze. Zo houd je precies grip op welke schalen een object toont.

Een handige controle: zet SELECTIONANNODISPLAY aan, dan licht bij het selecteren van een annotatief object elke schaalrepresentatie lichtgrijs op. Zo zie je in één oogopslag welke schalen aan het object hangen en of een representatie ver van de rest is verschoven.

Verplaats je een tekst in het ene schaalniveau, dan kun je de plaatsing per representatie apart zetten. Zo kan een label in het detail iets anders staan dan in het overzicht, terwijl het één object blijft. Ga zorgvuldig om met ANNOAUTOSCALE: staat het aan terwijl je door veel schalen bladert, dan verzamelen objecten al snel schalen die je niet nodig hebt. Ruim die op met OBJECTSCALE om het bestand licht te houden.

In een lay-out koppelt AutoCAD de viewportschaal aan de annotatieschaal.

Het echte werk gebeurt in een lay-out (paper space). Wanneer je een viewport selecteert en de viewportschaal instelt, neemt de annotatieschaal die waarde over zolang de synchronisatie aanstaat. Een viewport op 1:100 toont dan alleen de annotatierepresentaties die voor 1:100 bestaan.

Praktisch werk je zo:

  1. Maak in de lay-out een viewport en stel de schaal in (bijvoorbeeld 1:100).
  2. Vergrendel de viewport (PSPACE, dan slotje op de statusbalk) zodat de schaal niet per ongeluk verschuift.
  3. Controleer of de tekst op de gewenste papiergrootte staat.

Wil je in twee viewports met verschillende schalen dezelfde tekst tonen, zorg dan dat het object beide schaalrepresentaties heeft. Ontbreekt een representatie, dan verschijnt de tekst in die viewport niet, tenzij je de weergave forceert met ANNOALLVISIBLE. Deze werkwijze sluit aan op hoe je een DWG naar PDF exporteert: de plot volgt exact wat de viewport op schaal toont.

Werk je in het modelgebied zelf, dan bepaalt de annotatieschaal op de statusbalk direct wat je ziet. Zet hem daar op de schaal van de lay-out waar de tekening uiteindelijk in komt, zodat de tekst tijdens het tekenen al de juiste grootte heeft. Twee viewports met verschillende schalen op één lay-out is heel gebruikelijk: een plattegrond op 1:100 met een uitvergroot detail op 1:20 ernaast, waarbij dezelfde annotatieve labels in beide netjes op papiergrootte staan.

Kies een vaste papierhoogte voor tekst, zoals 2,5 of 3,5 mm.

Consistente tekst begint bij een vaste set papierhoogtes. In de bouw en installatietechniek volgen die vaak de genormeerde reeks. Kies per functie een hoogte en houd die aan in al je stijlen:

PapierhoogteTypisch gebruik
1,8 mmKleine annotaties en dichte details
2,5 mmStandaard maat- en objecttekst
3,5 mmBelangrijke labels en ruimtenamen
5,0 mmTitels en kopteksten
7,0 mmBladtitels in het titelblok

Leg die hoogtes vast in je tekststijlen en je sjabloon (.dwt). Dan hoef je bij elke tekening alleen de annotatieschaal te kiezen en klopt de teksthoogte op papier automatisch. Combineer dit met een opgeschoonde schaallijst via SCALELISTEDIT, zodat je alleen de schalen ziet die je echt gebruikt.

Deze commando's en systeemvariabelen regelen de annotatieschaal.

Commando / variabeleFunctie
CANNOSCALEStelt de huidige annotatieschaal in voor de actieve ruimte
CANNOSCALEVALUEToont de numerieke waarde van de huidige annotatieschaal
ANNOAUTOSCALEVoegt automatisch nieuwe schalen toe aan bestaande annotatieve objecten
OBJECTSCALEVoegt schaalrepresentaties toe aan of verwijdert ze van geselecteerde objecten
SCALELISTEDITBewerkt de lijst met beschikbare schalen
ANNOUPDATEWerkt annotatieve objecten bij naar de huidige annotatieschaal
ANNORESETHerstelt de plaatsing van alle schaalrepresentaties naar die van de huidige schaal
ANNOALLVISIBLEToont ook objecten die de huidige schaal niet ondersteunen

Verdwenen of dubbele annotaties los je op met ANNOALLVISIBLE, ANNOUPDATE en ANNORESET.

Een paar situaties komen vaak voor:

  • Tekst verdwijnt bij een schaalwijziging: het object heeft geen representatie voor die schaal. Voeg de schaal toe met OBJECTSCALE, of zet tijdelijk ANNOALLVISIBLE aan om te zien wat er nog is.
  • Dubbel of verschoven tekst: representaties zijn los verplaatst. Gebruik ANNORESET om ze weer op de plek van de huidige schaal te zetten.
  • Object volgt de nieuwe schaal niet: draai ANNOUPDATE op de selectie om het bij te werken naar de actuele annotatieschaal.
  • Tekst plot op de verkeerde grootte: controleer of het object echt annotatief is (Eigenschappen) en of de papierhoogte klopt in de tekststijl.

Neem je je werkwijze mee naar een andere computer, dan verhuizen je sjablonen (.dwt) met ingestelde schaallijst en stijlen mee; zie een Autodesk-licentie overzetten naar een nieuwe pc voor de installatiekant. Wie ook met Revit werkt, herkent het principe: annotaties schalen daar mee met de aanzichtschaal, wat weer terugkomt als je een Revit-familie maakt met eigen labels. Meer detail vind je in de documentatie van Autodesk over annotatieve objecten en annotatieschaling.

Veelgestelde vragen

De tekenschaal bepaalt hoe groot je model is; je tekent altijd op ware grootte. De annotatieschaal bepaalt hoe groot annotaties op papier verschijnen. Met annotatieve objecten stel je de papiergrootte een keer in, en AutoCAD past de modelgrootte automatisch aan de gekozen annotatieschaal aan.

De tekst heeft geen schaalrepresentatie voor de nieuwe annotatieschaal, dus AutoCAD toont hem niet. Voeg die schaal toe met het commando OBJECTSCALE, of zet automatisch schalen toevoegen (ANNOAUTOSCALE) aan. Wil je tijdelijk alles zien, gebruik dan ANNOALLVISIBLE om ook niet-ondersteunde objecten te tonen.

Gebruik het commando SCALELISTEDIT om de schaallijst te bewerken. Klik op Toevoegen, geef de schaal een naam en vul de verhouding tussen papier- en tekeneenheden in. Daarna verschijnt 1:50 in de annotatieschaallijst op de statusbalk en kun je hem selecteren.

In een lay-out stel je de viewportschaal in; de annotatieschaal neemt die waarde over zolang synchronisatie aanstaat. Een viewport op 1:100 toont dan de representaties voor 1:100. Vergrendel de viewport zodat de schaal niet per ongeluk verschuift tijdens het navigeren.

Selecteer het object en kijk in het palet Eigenschappen (Ctrl+1) of Annotatief op Ja staat. Bij het zweven over een annotatief object verschijnt naast de cursor een klein driehoekig meetlint-symbool. Ook in de tekst- of maatstijl zie je of Annotatief is aangevinkt.

Gerelateerde artikelen

DK
Daan Kessels
CAD- & BIM-specialist

Daan werkt al meer dan tien jaar met AutoCAD, Revit en Civil 3D in de bouw- en installatiesector en helpt ontwerpers hun tekenwerk sneller en foutlozer te maken.

Zoek je een licentie voor deze software?
Bekijk de collectie van Liceon. Directe levering, originele licenties.
Bekijk de collectie