⭐ 4,8/5 op basis van 1.200+ reviews

Inventor: 2D-tekening afleiden van een 3D-model

DKDaan Kessels· CAD- & BIM-specialistLaatst bijgewerkt: 12 juli 2026· 8 min leestijd
Kort antwoord

Een Inventor-tekening afleiden van een 3D-model doe je door een IDW- of DWG-sjabloon te openen en via Place Views eerst een Base view en dan Projected views te plaatsen. De aanzichten zijn associatief gekoppeld: pas je het 3D-model aan, dan werken de aanzichten en maatvoering automatisch mee.

Inventor tekening afleiden: uitleg en handleiding van Liceon

Een afgeleide tekening blijft automatisch kloppen met het 3D-model.

In Autodesk Inventor teken je niet los in 2D. Je leidt de werkplaatstekening af van een bestaand 3D-model, een part (.ipt) of assembly (.iam). De aanzichten in de tekening (.idw of .dwg) zijn associatief gekoppeld aan het model: pas je het model aan, dan werken de aanzichten en de maatvoering mee. Zo voorkom je dat een tekening na een ontwerpwijziging niet meer overeenkomt met het onderdeel.

Inventor kent vier documenttypes: part (.ipt), assembly (.iam), drawing (.idw of .dwg) en presentation (.ipn). De tekening ontstaat uit het part of de assembly; de presentation gebruik je voor geexplodeerde aanzichten. Deze werkwijze, eerst 3D dan 2D, staat tegenover klassiek tekenen, waar je elke lijn los zet zoals met het TRIM-commando in AutoCAD.

Ontwerper werkt aan een technische tekening met aanzichten op een laptop
De aanzichten in een Inventor-tekening blijven gekoppeld aan het 3D-model.

Start een tekening met een IDW- of DWG-sjabloon.

Maak eerst een leeg tekeningbestand aan:

  1. Kies File > New (of Nieuw op het startscherm).
  2. Selecteer een tekeningsjabloon: Standard.idw of Standard.dwg. Beide leiden aanzichten af; DWG is handig als je het bestand later in AutoCAD wilt openen, IDW is het oorspronkelijke Inventor-formaat.
  3. Gebruik bij voorkeur een bedrijfssjabloon met het juiste tekenkader, titelblok en de juiste tekennorm.

De tekennorm bepaalt de projectiemethode. In Europa gebruiken tekeningen volgens ISO de eerste-hoekprojectie (first angle), in de VS volgens ANSI de derde-hoekprojectie. Je controleert of wijzigt de norm via het tabblad Manage > Styles Editor of via de Document Settings. Klopt de projectiemethode niet, dan staan je geprojecteerde aanzichten aan de verkeerde kant.

Een tekeningbestand bevat een of meer sheets (bladen). Elk blad heeft een bladgrootte (A4, A3, A2), een tekenkader (Border) en een titelblok (Title Block) met projectgegevens. In de browser aan de linkerkant beheer je de bladen: rechtsklik op Sheet om een nieuw blad toe te voegen, de grootte te wijzigen of een ander titelblok te kiezen. Zet je bedrijfslogo en standaardvelden in een sjabloon, dan hoef je dat niet per tekening opnieuw in te richten.

Plaats het eerste aanzicht met Base op het tabblad Place Views.

Het basisaanzicht (base view) is het eerste, hoofdaanzicht waarvan je de rest afleidt. Plaats het zo:

  1. Ga naar het tabblad Place Views, paneel Create, en klik op Base.
  2. In het venster Drawing View, tabblad Component, kies je het model uit de lijst met open bestanden, of klik op het mapicoon om een modelbestand te openen.
  3. Stel de Orientation in (bijvoorbeeld Front, Top of een isometrisch aanzicht) en de Scale.
  4. Kies bij Style tussen Hidden Line, Hidden Line Removed of Shaded.
  5. Sleep de voorbeeldweergave naar de gewenste plek op het blad en klik om het aanzicht te plaatsen.
Place Views > Create > Base > (model kiezen, orientation, scale, style) > plaatsen

Kies het meest herkenbare aanzicht als basis, meestal het vooraanzicht. De schaal en stijl die je hier instelt, erven de geprojecteerde aanzichten over.

Leid boven-, zij- en isometrische aanzichten af met Projected.

Van het basisaanzicht projecteer je de overige aanzichten:

  1. Klik op Place Views > Create > Projected.
  2. Selecteer het basisaanzicht als bovenliggend aanzicht.
  3. Beweeg de muis omhoog, omlaag of opzij voor de orthografische aanzichten, of diagonaal voor een isometrisch aanzicht, en klik telkens om te plaatsen.
  4. Klik met de rechtermuisknop en kies Create om de projectie af te ronden.
Place Views > Create > Projected > basisaanzicht kiezen > richtingen aanklikken > rechtsklik > Create

Geprojecteerde aanzichten zijn uitgelijnd met het basisaanzicht en nemen de schaal en weergave-instellingen ervan over. Verschuif je het basisaanzicht, dan schuiven de uitgelijnde aanzichten mee. Wil je een aanzicht loskoppelen, gebruik dan de rechtermuisknop en verwijder de uitlijning (Break Alignment).

Stuur wat een aanzicht toont via representaties, model state en randweergave.

In het venster Drawing View bepaal je niet alleen de orientatie, maar ook wat er precies zichtbaar is. Deze instellingen zijn handig om een tekening leesbaar te houden:

  • Design View Representation: toont een opgeslagen combinatie van zichtbare en verborgen onderdelen. Zo laat je in een assembly-aanzicht bijvoorbeeld de behuizing weg.
  • Model State: bij een part met meerdere uitvoeringen kies je welke variant het aanzicht toont; bij sheet metal kies je tussen de gevouwen staat en de uitslag (flat pattern).
  • Tangent Edges: zet raaklijnen aan of uit om overgangen tussen afrondingen wel of niet als lijn te tonen.
  • Thread Feature en Weld Annotations: bepaal of schroefdraad en lasnaden in het aanzicht meekomen.

Voor plaatwerk is de flat pattern belangrijk: die uitslag stuur je door naar het snij- of ponsproces. Kies bij het basisaanzicht van een sheet-metal-part de model state Flat Pattern om de onbewerkte uitslag met buiglijnen te tonen. Zo levert een enkel modelbestand zowel het 3D-aanzicht als de productietekening.

Voeg doorsnedes, details en hulpaanzichten toe waar dat de tekening duidelijker maakt.

Voor complexe onderdelen volstaan de standaardaanzichten niet. Inventor biedt hiervoor extra aanzichttypes op het paneel Create:

AanzichtWaarvoor
SectionInterne opbouw tonen via een snijlijn door het model
DetailEen klein gebied uitvergroten op een grotere schaal
AuxiliaryEen schuin vlak haaks in ware grootte tonen
BreakEen lang, uniform onderdeel ingekort weergeven
Broken OutEen deel wegsnijden om er lokaal in te kijken

Voor een doorsnede kies je Section, teken je een snijlijn over een bestaand aanzicht en plaats je het resultaat. Voor een detail kies je Detail, bakenen je een cirkel of rechthoek af en geef je een grotere schaal op. Ook deze afgeleide aanzichten blijven gekoppeld aan het model.

Plaats extra aanzichten alleen waar ze iets toevoegen. Een tekening met te veel doorsnedes wordt onleesbaar; een tekening met te weinig laat vragen open in de werkplaats. Een goede volgorde is: eerst de drie hoofdaanzichten, dan een isometrisch aanzicht voor het overzicht, en pas daarna doorsnedes en details voor de plekken die anders onduidelijk blijven. Elk sectie- en detailaanzicht krijgt automatisch een label (A-A, B-B) dat verwijst naar de snijlijn of het detailkader, zodat de lezer de aanzichten aan elkaar kan koppelen.

Haal modelmaten op of plaats losse maten via het tabblad Annotate.

Zonder maatvoering is een tekening niet compleet. Op het tabblad Annotate heb je twee routes:

  • Modelmaten ophalen: met Retrieve Model Annotations (Retrieve Dimensions) toon je de maten die al in het 3D-model zijn geschetst. Deze zijn tweerichtings: pas je de maat in de tekening aan, dan verandert het model mee.
  • Tekeningmaten plaatsen: met Dimension (sneltoets D) zet je losse maten die alleen in de tekening bestaan. Deze zijn associatief maar niet stuurbaar naar het model.

Vul aan met gaten- en draadaanduidingen (Hole and Thread Notes), afkantingen (Chamfer), middellijnen (Centerline) en oppervlakteruwheid. Plaats maten consequent en vermijd dubbele maatvoering, zodat de tekening eenduidig te lezen is voor de werkplaats.

Gebruik Baseline- of Ordinate-maatvoering als een onderdeel veel maten vanaf een gemeenschappelijk nulpunt heeft; dat houdt de tekening overzichtelijk en voorkomt opgetelde toleranties. Zet centermarks (Center Mark) op gaten en boringen, zodat de plaats van elk gat ondubbelzinnig vastligt. Wil je toleranties tonen, dan stel je die per maat in via het maatvenster of centraal via de tekennorm, zodat de hele tekening dezelfde afspraken volgt. Een consequent opgemaakte tekening scheelt vragen en meetfouten in de productie.

Voeg bij een assembly een stuklijst en ballonnen toe.

Leid je een tekening af van een assembly (.iam), dan hoort daar een stuklijst bij. Op het tabblad Annotate:

  1. Kies Parts List en klik een aanzicht aan; Inventor plaatst een tabel met alle onderdelen, aantallen en artikelnummers.
  2. Kies Balloon of Auto Balloon om elk onderdeel in het aanzicht van een positienummer te voorzien dat naar de stuklijst verwijst.

De stuklijst leest de gegevens rechtstreeks uit de assembly. Voeg je later een onderdeel toe, dan verschijnt het na bijwerken automatisch in de lijst met het juiste aantal. Voor een geexplodeerd aanzicht kies je bij het basisaanzicht een presentation (.ipn) in plaats van het model, zodat de onderdelen uit elkaar getrokken worden weergegeven.

De tekening werkt automatisch bij en exporteer je naar PDF of DWG.

Omdat de tekening associatief is, verschijnt na een modelwijziging een melding dat de aanzichten verouderd zijn. Inventor werkt ze bij zodra je de tekening opent of via Update. Zo blijft de documentatie synchroon met het ontwerp zonder dat je aanzichten opnieuw tekent.

Let op dat een tekening naar het modelbestand verwijst via een pad. Verplaats of hernoem je het part of de assembly zonder Inventor, dan raakt de koppeling zoek en verschijnt een melding dat het model niet gevonden is. Gebruik daarom Vault of de functie Save As met verwijzingen om bestanden verplaatsen netjes te houden, vergelijkbaar met hoe je in andere pakketten je brongegevens op een vaste plek bewaart.

Voor levering exporteer je de tekening:

  • PDF: via File > Export > Export to PDF, waar je bladen, schaal en kleur instelt.
  • DWG: via File > Export > Export to DWG voor uitwisseling met AutoCAD-gebruikers.

De officiele stappen voor basis- en geprojecteerde aanzichten staan in de Autodesk-documentatie over Base en Projected Views. Wil je het model daarna fotorealistisch presenteren, dan sluit de uitleg over het verminderen van Arnold-ruis in 3ds Max hierop aan. Draag je een project of licentie over aan een andere partij, houd dan rekening met wat er mag volgens de gids over het doorverkopen of overdragen van een softwarelicentie.

Veelgestelde vragen

Beide bestandstypes leiden aanzichten af van een 3D-model op dezelfde manier. IDW is het oorspronkelijke Inventor-tekeningformaat, DWG is het AutoCAD-formaat. Kies DWG als AutoCAD-gebruikers het bestand moeten openen of bewerken; kies IDW als je volledig binnen Inventor blijft werken.

Ja, de aanzichten zijn associatief gekoppeld aan het 3D-model. Na een modelwijziging markeert Inventor de aanzichten als verouderd en werkt ze bij zodra je de tekening opent of op Update klikt. Je hoeft de aanzichten dus niet opnieuw te plaatsen of te tekenen.

Kies Place Views, Create, Section en teken een snijlijn over een bestaand aanzicht. Plaats vervolgens het doorsnede-aanzicht op het blad. De doorsnede blijft gekoppeld aan het model, dus bij een ontwerpwijziging past de getoonde interne opbouw zich automatisch aan.

Ja, met Retrieve Model Annotations op het tabblad Annotate haal je de maten op die in het 3D-model zijn geschetst. Deze maten zijn tweerichtings: pas je ze in de tekening aan, dan verandert het model mee. Losse tekeningmaten plaats je met het Dimension-commando.

Maak eerst een presentation (.ipn) van de assembly met de onderdelen uit elkaar getrokken. Kies daarna bij het plaatsen van een Base view die presentation in plaats van het model. Inventor toont dan het geexplodeerde aanzicht, inclusief de mogelijkheid om er ballonnen en een stuklijst bij te zetten.

Gerelateerde artikelen

DK
Daan Kessels
CAD- & BIM-specialist

Daan werkt al meer dan tien jaar met AutoCAD, Revit en Civil 3D in de bouw- en installatiesector en helpt ontwerpers hun tekenwerk sneller en foutlozer te maken.

Zoek je een licentie voor deze software?
Bekijk de collectie van Liceon. Directe levering, originele licenties.
Bekijk de collectie